Tuchtreglement VSK

TUCHTREGLEMENT


Gelet op artikel 10, §5 van de statuten
Gelet op de beslissing van de Raad van Bestuur van 6 juli 2010

Titel I – Tuchtbeleid

Artikel 1. De leden van VSK dienen zich te houden aan de reglementen die binnen VSK van kracht zijn.

Art. 2. De tuchtprocedures in VSK worden behandeld door de tuchtcommissie en de beroepscommissie.

Art. 3. Termijnen vermeld in dit reglement beginnen steeds te lopen de dag na het feit of de handeling en de laatste dag is steeds inbegrepen in de termijn. Telkens er in deze tuchtregeling of in tuchtrechtelijke uitspraken vermeld wordt dat een bepaalde termijn moet gerespecteerd worden, geldt de datum van uitspraak. Als bewijs voor het verstrijken van de termijn geldt de poststempel van het afgiftebewijs, welke door betrokkene desgevallend moet voorgelegd worden, of de afstempeling door het secretariaat van de VSK indien de handeling daar gebeurt.
Indien een termijn uitgedrukt in dagen op zaterdag, zondag of een wettelijke
feestdag eindigt, wordt deze verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

Art. 4. Wanneer bij wijze van tuchtsanctie een schorsing of schrapping werd uitgesproken ten aanzien van een lid door een andere sportschuttersfederatie, kan de Raad van Bestuur deze schorsing uitbreiden tot de VSK. Dit wordt schriftelijk aan betrokkene meegedeeld. Tegen deze beslissing is geen verhaal mogelijk.

Art. 5. Naast en boven de tuchtsancties behoudt de raad van bestuur van VSK zich alle rechten voor om via burgerlijke- en/of strafrechtelijke procedures verhaal uit te oefenen op de gesanctioneerde zo de door hen gepleegde feiten een financieel verlies voor de sportschuttersfederatie hebben veroorzaakt

Titel II - De organen

Hoofdstuk I - De bondsprocureur ( coördinator van de tuchtcommissie )

Afdeling I – benoeming

Art. 6. De bondsprocureur is een persoon ( bij voorkeur een jurist ) die toezicht houdt op de toepassing van de regelgeving binnen de VSK

Art. 7. De bondsprocureur wordt benoemt zoals voorzien in art 10 van het huishoudelijk reglement.

Art. 8. Zijn mandaat eindigt in de volgende gevallen :

1° bij overlijden of vrijwillig uitdrukkelijk ontslag;
2° na bekrachtiging door de Algemene Vergadering van de afzetting door de Raad
van Bestuur. De Algemene Vergadering kan deze beslissing slechts nemen met
2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen en na betrokkene te hebben
gehoord. Daartoe wordt betrokkene via aangetekend schrijven uitgenodigd.

Afdeling II - Bevoegdheden :

Art. 9. de bondsprocureur heeft de volgende niet-limitatieve bevoegdheden :

1° onderzoek van het dossier naar aanleiding van het indienen van een aangifte of klacht

2° hij voert dit onderzoek autonoom, en rondt het af binnen een redelijke termijn

3° in het kader van dit onderzoek kan hij de medewerking vragen van clubs, schutters, alle leden (o.a. inzage vragen in geschriften en boekhoudingstukken) en iedereen horen die hij daartoe nuttig acht.

4° hij kan zelf een procedure initiëren en verder zetten, alsook hoger beroep instellen indien hij oordeelt dat de belangen van de VSK dit vereisen

5° hij oordeelt of een spoedprocedure mag toegepast worden

6° hij mag de zittingen van de tuchtcommissie en de beroepscommissie bijwonen.
De voorzitters van deze commissies kunnen indien nodig zijn aanwezigheid vorderen.

Hoofdstuk II - De tuchtcommissie

Afdeling I - benoeming en samenstelling

Art. 10. De tuchtcommissie is samengesteld uit drie effectieve leden, waarvan één voorzitter. Er zijn tevens twee plaatsvervangende leden.

Art. 11. De drie effectieve leden en de twee plaatsvervangende leden worden verkozen door de raad van bestuur voor een termijn van 5 jaar. Zij zijn onbeperkt herverkiesbaar.
De benoeming dient bekrachtigd te worden op de eerstvolgende Algemene Vergadering.
De leden kunnen voorlopig, dit wil zeggen tot en met de datum van de eerstvolgende
Algemene Vergadering, benoemd worden door de Raad van Bestuur.

Art. 12. Hun mandaat eindigt in de volgende gevallen :

1° bij overlijden of vrijwillig uitdrukkelijk ontslag;
2° na bekrachtiging door de Algemene Vergadering van de afzetting door de Raad van Bestuur. De Algemene Vergadering kan deze beslissing slechts nemen met
2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen en na betrokkene te hebben
gehoord. Daartoe wordt betrokkene via aangetekend schrijven uitgenodigd.

Art. 13. De leden van de commissie dienen aan volgende voorwaarden te voldoen :

- minstens 25 jaar oud zijn
- lid zijn van een aangesloten schuttersvereniging
- de voorzitter is bij voorkeur een jurist

Bij verhindering wordt de voorzitter vervangen door een gewoon lid.
Bij verhindering wordt een gewoon lid vervangen door een plaatsvervangend lid.
Er mag nooit meer dan één lid van eenzelfde club zetelen.
Een lid mag niet zetelen zo hij zelf, een familielid tot in de derde graad, iemand van zijn club of zijn club zelf, direct belang in de zaak heeft.
De leden van de tuchtcommissie mogen geen lid zijn van de Raad van Bestuur of deel uitmaken van enige commissie, uitvoerend of raadgevend.
Een plaatsvervangend lid zal slechts zetelen in de plaats van een effectief lid als :

- het mandaat eindigt van een effectief lid
- een klacht wordt behandeld tegen dit effectief lid eof tegen de club waarvan dit lid gebeurlijk deel uitmaakt
- wettig belet van het effectief lid ( vb. verlof, ziekte )

Art. 14. De leden van de tuchtcommissie kunnen zich laten bijstaan door een griffier louter voor het vervullen van administratieve taken. Deze mag niet deelnemen aan de debatten noch aan de besluitvorming.

Afdeling II – bevoegdheden

Art. 15. De tuchtcommissie behandelt alle klachten en geschillen in eerste aanleg betreffende handelingen en gedragingen in strijd met de bepalingen van de Statuten van de VSK, het Huishoudelijk Reglement VSK en de VSK
Wedstrijdreglementen en betreffende overtredingen tegen de geest van de schietsport in het algemeen.

Deze klachten en geschillen kunnen onder meer en niet-limitatief betrekking
hebben op wedstrijden, geleid door scheidsrechters aangeduid door de VSK, op
de werking tussen clubs enerzijds en de VSK anderzijds, op de werking tussen
clubs onderling, op de verhouding tussen de leden en de VSK, op de
verhouding tussen de clubs en hun leden en op de verhouding tussen leden
onderling.

Hoofdstuk III - De beroepscommissie

Afdeling I - benoeming en samenstelling

Art. 16. De beroepscommissie is samengesteld uit drie effectieve leden, waarvan één voorzitter. Er zijn tevens twee plaatsvervangende leden.

Art. 17. De drie effectieve leden en de twee plaatsvervangende leden worden verkozen door de raad van bestuur voor een termijn van 5 jaar. Zij zijn onbeperkt herverkiesbaar.
De benoeming dient bekrachtigd te worden op de eerstvolgende Algemene Vergadering.
De leden kunnen voorlopig, dit wil zeggen tot en met de datum van de eerstvolgende Algemene Vergadering, benoemd worden door de Raad van Bestuur.

Art. 18. Hun mandaat eindigt in de volgende gevallen :

1° bij overlijden of vrijwillig uitdrukkelijk ontslag;
2° na bekrachtiging door de Algemene Vergadering van de afzetting door de Raad van Bestuur. De Algemene Vergadering kan deze beslissing slechts nemen met
2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen en na betrokkene te hebben
gehoord. Daartoe wordt betrokkene via aangetekend schrijven uitgenodigd.

Art. 19. De leden van de commissie dienen aan volgende voorwaarden te voldoen :

- minstens 25 jaar oud zijn
- lid zijn van een aangesloten schuttersvereniging
- de voorzitter is bij voorkeur een jurist

Bij verhindering wordt de voorzitter vervangen door een gewoon lid.
Bij verhindering wordt een gewoon lid vervangen door een plaatsvervangend lid.
Er mag nooit meer dan één lid van eenzelfde club zetelen.
Een lid mag niet zetelen zo hij zelf, een familielid tot in de derde graad, iemand van zijn club of zijn club zelf, direct belang in de zaak heeft.
De leden van de beroepscommissie mogen geen lid zijn van de Raad van Bestuur of deel uitmaken van enige commissie, uitvoerend of raadgevend.
Een plaatsvervangend lid zal slechts zetelen in de plaats van een effectief lid als :

- het mandaat eindigt van een effectief lid
- een klacht wordt behandeld tegen dit effectief lid of tegen de club waarvan dit lid gebeurlijk deel uitmaakt
- wettig belet van het effectief lid ( vb. verlof, ziekte )

Afdeling II – bevoegdheden

Art. 20. De beroepscommissie oordeelt in laatste aanleg over het beroep ingesteld door elke belanghebbende tegen een beslissing in eerste aanleg uitgesproken door de tuchtcommissie.

Titel III – Procedure

Hoofdstuk I - Poging tot verzoening

Art. 21. Elke klacht, elke aangifte en elk verzoek dat niet uitgaat van de bondsprocureur dient, vooraleer aanhangig te worden gemaakt bij de tuchtcommissie, op straffe van niet-ontvankelijkheid het voorwerp uit te maken van een verzoeningsprocedure bij de Ombudsman.
De betrokkenen kunnen daartoe een aangetekende brief sturen aan de Ombudsman, via het secretariaat van VSK

Art. 22. De betrokkenen worden vervolgens door de Ombudsman opgeroepen teneinde te worden gehoord.

Art. 23. § 1. Als een verzoening wordt bereikt, wordt dit in een proces-verbaal van verzoening bevestigd.

§ 2. Indien de poging tot verzoening mislukt, wordt een proces-verbaal van niet-verzoening opgesteld hetwelk door de Ombudsman schriftelijk wordt overgemaakt aan de betrokken partijen.
De niet gerechtvaardigde afwezigheid van één der partijen resulteert automatisch in een proces-verbaal van niet-verzoening.

Art. 24. Betrokkenen bij een geschil kunnen steeds door de Ombudsman ambtshalve worden opgeroepen om te worden gehoord met het oog op een minnelijke regeling.

Art. 25. Indien de klacht of aangifte uitgaat van de bondsprocureur is geen voorafgaandelijke verzoeningspoging vereist.

Hoofdstuk II – Tuchtcommissie

Art. 27. De procedure bij de tuchtcommissie wordt ingeleid met een aangetekend schrijven gericht aan de voorzitter van de tuchtcommissie, die hiervoor woonstkeuze doet op het secretariaat van het VSK.

Art. 28. De tuchtcommissie wordt gevat door de betrokkenen of door de bondsprocureur (hetzij ambtshalve, hetzij na aangifte of klacht door de Raad van Bestuur van de VSK bij de bondsprocureur).

Art 29. §1. De klacht dient op straffe van nietigheid :

1° de feiten aan te duiden (naar plaats, datum, uur en omstandigheden) waarop ze gesteund is.

2° in het Nederlands opgesteld te zijn en duidelijk te vermelden waartoe ze strekt en tegen wie ze gericht is.

3° naam, voornaam, hoedanigheid, adres te vermelden van de indiener(s)

4° ondertekend te zijn :
a. door de indiener ingeval van een individuele klacht.
b. door de indieners ingeval van een collectieve klacht
c. door minimum twee bestuursleden indien de klacht ingediend wordt door een club.

§ 2. Indien de klacht of aangifte niet uitgaat van de Bondsprocureur, dient er een kopie te worden bijgevoegd van het proces-verbaal van niet-verzoening, dat niet ouder mag zijn dan één maand.

§ 3. Het niet naleven van deze vormvereisten heeft de niet-ontvankelijkheid tot gevolg.

Art. 30. De klachtdoende partij stort binnen de 10 kalenderdagen een behandelingsrecht van 250 euro op de rekening van de VSK. Dit behandelingsrecht is niet vereist indien de klacht of aangifte uitgaat van de bondsprocureur.

Art. 31. Voor het indienen van een klacht geldt een verjaringstermijn van zes maanden sedert de feiten waarop ze betrekking heeft. Deze termijn kan niet gestuit worden.

Art. 32. § 1. Het secretariaat van de VSK maakt onmiddellijk na ontvangst van de klacht een kopie van het volledige dossier over aan de bondsprocureur, die de dossiergegevens verder onderzoekt.

§ 2. Na afronding van dit onderzoek beslist de bondsprocureur

1° ofwel het dossier door te verwijzen naar de tuchtcommissie voor de behandeling ter zitting. In dit geval zendt hij het dossier naar het secretariaat van de VSK, met het verzoek dit verder over te maken aan de tuchtcommissie.

2° ofwel het dossier te klasseren zonder gevolg, mits gemotiveerde beslissing

3° ofwel een straf op te leggen zoals voorzien in art 63 & 1 – 1° tot 4° met een beperking van 500€ wat betreft art 63 & 1 - 3° en 3 maand wat betreft art 63 & 1 – 4°, en dit voor anderen dan de personen bedoelt in art 66 ( elitesporters en hun begeleiders )

Art. 33. De te horen personen en partijen worden door de tuchtcommissie via aangetekend schrijven opgeroepen, met afschrift via gewone post aan de secretaris van hun club. Deze oproeping dient ten minste 14 kalenderdagen vóór de zitting schriftelijk te worden verzonden en ze vermeldt plaats, datum en uur van de zitting. De postdatum geldt als bewijs. Een afwijking van de vooropgestelde plaats, datum en uur is mogelijk mits onderling akkoord van alle betrokken partijen.

Art. 34. De partijen kunnen zich wettig laten vertegenwoordigen en bovendien zich laten bijstaan door één of meerdere persoon naar keuze. Een wettige vertegenwoordiger dient een volmacht te kunnen voorleggen, ondertekend door degene die hij vertegenwoordigt, en kan enkel optreden indien er een wettige reden (schriftelijk bewijs ter staving van de afwezigheid) bestaat voor de opgeroepen persoon om niet te verschijnen. Personen die geen 18 jaar zijn op het moment van de zitting kunnen zich steeds
rechtsgeldig laten vertegenwoordigen door hun wettelijke vertegenwoordiger, zonder dat ze persoonlijk hoeven te verschijnen. Een club kan zich laten vertegenwoordigen door ten hoogste 2 afgevaardigden,
voorzien van een volmacht ondertekend door minimaal 2 bestuursleden.

Art. 35. Elke partij kan, op eigen kosten, vóór de zitting kopie bestellen van het dossier of het dossier inzien. Dit kan alleen zonder verplaatsing van het dossier en op een vooraf goedgekeurd tijdstip.

Art. 36. De tuchtcommissie dient samen te komen binnen een redelijke termijn na de verwijzing van het dossier voor behandeling door de bondsprocureur.

37. § 1. De behandeling van de zaak gebeurt in openbare zitting. Hiervan kan afgeweken worden op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van één der partijen en mits akkoord van de voorzitter van de tuchtcommissie.

§ 2. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden en op vraag van één van de partijen kan de tuchtcommissie uitstel verlenen voor de behandeling ten gronde.

§ 3. De voertaal van de zitting is het Nederlands. De beklaagde mag zich op eigen kosten laten bijstaan door een tolk.

§ 4. De zaak wordt behandeld zowel in aanwezigheid als in afwezigheid (behandeling bij verstek) van de partijen.

§ 5. Er worden notulen gehouden van elke zaak.

§ 6. De opgeroepen partijen kunnen hun standpunten argumenteren en motiveren en eventuele stavingstukken neerleggen. De verklaringen van de partijen en van de eventueel opgeroepen getuigen worden genoteerd en door de partijen en getuigen voor akkoord ondertekend. Bij weigering te ondertekenen wordt dit op de notulen vermeld.

§ 7. De tuchtcommissie kan alles doen wat het nuttig oordeelt in het kader van het onderzoek. Getuigen worden gehoord, nieuwe getuigen kunnen worden opgeroepen en een nieuwe zitting kan worden belegd binnen een redelijke termijn. In dit geval wordt deze beslissing genotuleerd, ondertekend voor kennisname door de partijen en in geval een partij dit weigert, wordt dit op de notulen vermeld.

§ 8. De voorzitter van de tuchtcommissie garandeert de handhaving van de orde. Hij heeft de macht, zo daartoe grond bestaat, toehoorders uit de lokalen te zetten. Hij kan eveneens overtredingen die tijdens de zitting begaan worden door opgeroepenen of getuigen onmiddellijk bestraffen. Voor overtredingen na het sluiten der debatten kan een nieuwe procedure worden opgestart tegen betrokkenen.

§ 9. De tuchtcommissie kan slechts geldig beslissen voor zover zij volledig is samengesteld.

§ 10. Alle beslissingen dienen gemotiveerd te zijn.

§ 11. Elke uitspraak wordt schriftelijk meegedeeld aan de partijen (bij een verstekmakende partij : via aangetekend schrijven), met afschrift aan de secretaris van de club waartoe elke betrokkene behoort en aan de bondsprocureur.

§ 12. De tuchtcommissie beslist tevens over de kosten.

Art. 38. De uitspraak van de tuchtcommissie wordt slechts definitief na het verstrijken van de beroepstermijn. Ingeval hoger beroep wordt ingesteld wordt de uitspraak opgeschort.

Art. 39. Het dossier van het geschil wordt gedurende vijf jaar bewaard op het secretariaat van de VSK.

Hoofdstuk III – Beroepscommissie

Art. 40. Elke partij kan hoger beroep instellen tegen de uitspraak in eerste aanleg.

Art. 41. Wanneer de bondsprocureur van de VSK vaststelt dat bij de procedure of bij de genomen beslissing de statuten en/of reglementen werden overtreden of wanneer hij dat ten behoeve van de VSK wenselijk acht, kan hij uit hoofde van zijn ambt beroep instellen en dient hij als partij beschouwd te worden tot de uiteindelijke afhandeling van de zaak.

Art. 42. Het verzoekschrift tot hoger beroep wordt binnen de 15 kalenderdagen na de uitspraak in eerste aanleg (of in het geval van verstek : na het verzenden van de aangetekende kennisgeving) via aangetekend schrijven ingediend bij de voorzitter van de beroepscommissie, die hiervoor woonstkeuze doet op het secretariaat van de VSK.

Art. 43. § 1. Binnen dezelfde periode stort de partij die beroep instelt een behandelingsrecht van 500 Euro op de rekening van de VSK. Dit behandelingsrecht is niet vereist indien het beroep wordt ingesteld door de bondsprocureur.

Het beroepschrift dient op straffe van nietigheid :
1° in het Nederlands opgesteld te zijn en de grieven aan te duiden tegen de uitspraak in eerste aanleg
2° de datum van die uitspraak en de betrokken partijen te vermelden
3° ondertekend te zijn :

a. door de indiener ingeval van een individueel beroep.
b. door de indieners ingeval van een collectief beroep.
c. door minimum twee bestuursleden indien het beroep ingesteld wordt door een club.
d. door de voorzitter of de secretaris-generaal van de Raad van Bestuur van de VSK indien de VSK het beroep aantekent

§ 2. Het niet naleven van deze vormvereisten heeft de niet-ontvankelijkheid tot gevolg.

Art. 44. Het secretariaat van de VSK maakt onmiddellijk na ontvangst van het beroep een kopie van het volledige dossier over aan de beroepscommissie.

Art. 45. De te horen personen en partijen worden door de beroepscommissie via aangetekend schrijven opgeroepen, met afschrift via gewone post aan de secretaris van hun club. Deze oproeping dient ten minste 14 kalenderdagen vóór de zitting schriftelijk te worden verzonden en ze vermeldt plaats, datum en uur van de zitting. De postdatum geldt als bewijs. Een afwijking van de vooropgestelde plaats, datum en uur is mogelijk mits onderling akkoord van alle betrokken partijen.

Art. 46. De partijen kunnen zich wettig laten vertegenwoordigen en bovendien zich laten bijstaan door één of meerdere personen naar keuze. Een wettige vertegenwoordiger dient een volmacht te kunnen voorleggen, ondertekend door degene die hij vertegenwoordigt, en kan enkel optreden indien er
een wettige reden (schriftelijk bewijs ter staving van de afwezigheid) bestaat voor de opgeroepen persoon om niet te verschijnen. Personen die geen 18 jaar zijn op het moment van de zitting kunnen zich steeds rechtsgeldig laten vertegenwoordigen door hun wettelijke vertegenwoordiger,
zonder dat ze persoonlijk hoeven te verschijnen. Een club kan zich laten vertegenwoordigen door ten hoogste 2 afgevaardigden, voorzien van een volmacht ondertekend door minimaal 2 bestuursleden.

Art. 47. Elke partij kan, op eigen kosten, vóór de zitting kopie bestellen van het dossier of het dossier inzien. Dit kan alleen zonder verplaatsing van het dossier en op een vooraf goedgekeurd tijdstip.

Art. 48. De beroepscommissie dient samen te komen binnen een redelijke termijn na de verwijzing van het dossier voor behandeling door het secretariaat.

Art. 49. § 1. De behandeling van de zaak gebeurt in openbare zitting. Hiervan kan afgeweken worden op uitdrukkelijk verzoek van één der partijen en mits akkoord van de voorzitter van de beroepscommissie.

§ 2. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden en op vraag van één van de partijen kan de beroepscommissie uitstel verlenen voor de behandeling ten gronde.

§ 3. De voertaal van de zitting is het Nederlands. De beklaagde mag zich op eigen kosten laten bijstaan door een tolk.

§ 4. De zaak wordt behandeld zowel in aanwezigheid als in afwezigheid (behandeling bij verstek) van de partijen.

§ 5. Er worden notulen gehouden van elke zaak.

§ 6. De opgeroepen partijen kunnen hun standpunten argumenteren en motiveren en eventuele stukken ter staving neerleggen. De verklaringen van de partijen en van de eventueel opgeroepen getuigen worden genoteerd en door de partijen en getuigen voor akkoord ondertekend. Bij weigering te ondertekenen wordt dit op de notulen vermeld.

§ 7. De beroepscommissie kan alles doen wat het nuttig oordeelt in het kader van het onderzoek. Getuigen worden gehoord, nieuwe getuigen kunnen worden opgeroepen en een nieuwe zitting kan worden belegd binnen een redelijke termijn. In dit geval wordt deze beslissing genotuleerd, ondertekend voor kennisname door de partijen en in geval een partij dit weigert, wordt dit op de notulen vermeld.

§ 8. De voorzitter van de beroepscommissie garandeert de handhaving van de orde. Hij heeft de macht, zo daartoe grond bestaat, toehoorders uit de lokalen te zetten.
Hij kan eveneens overtredingen die tijdens de zitting begaan worden door opgeroepenen of getuigen onmiddellijk bestraffen. Voor overtredingen na het sluiten der debatten kan een nieuwe procedure worden opgestart tegen betrokkenen.

§ 9. De beroepscommissie kan slechts geldig beslissen voor zover zij volledig is samengesteld. Alle leden moeten gedurende het ganse verloop van de procedure zetelen.

§ 10. Alle beslissingen dienen gemotiveerd te zijn

§ 11. Elke uitspraak wordt schriftelijk meegedeeld aan de partijen (bij een verstekmakende partij : via aangetekend schrijven), met afschrift aan de secretaris van de club waartoe elke betrokkene behoort en aan de bondsprocureur.

§ 12. De commissie van beroep beslist tevens over de kosten.

Art. 50. De uitspraak is definitief vanaf deze schriftelijke kennisgeving. Indien evenwel verzet wordt aangetekend, wordt zij opgeschort.

Art. 51. Het herleiden van tuchtsancties genomen in eerste aanleg kunnen nooit aanleiding geven tot het betalen van schadevergoedingen door de VSK of tot het overdoen van wedstrijden.

Art. 52. Het dossier van het geschil wordt gedurende vijf jaar bewaard op het secretariaat van de VSK

Hoofdstuk IV – Verzet

Art. 53. Tegen een beslissing van de tuchtcommissie of beroepscommissie genomen bij verstek kan de verstekdoende partij, tenzij het gaat om een spoedprocedure, via aangetekend schrijven gericht aan de voorzitter van de desbetreffende commissie verzet instellen binnen de 15 dagen nadat de uitspraak aangetekend werd verstuurd. Na afloop van deze termijn is de uitspraak definitief en wordt ze uitvoerbaar. Het verzet schort de tenuitvoerlegging van de beslissing op.

Art. 54. Binnen dezelfde periode stort de partij die beroep aantekent een behandelingsrecht van 500 Euro op de rekening van de VSK.

Art. 55. De zaak op verzet wordt behandeld binnen een redelijke termijn na het aantekenen van het verzet.

Art. 56. Indien de verstekmakende partij opnieuw niet verschijnt is de eerste beslissing definitief. Nieuw verzet is niet mogelijk.

Hoofdstuk V – Spoedprocedure

Art. 57. Bij dringende gevallen en ten uitzonderlijke titel wordt een spoedprocedure voorzien.
De tuchtcommissie en de beroepscommissie kunnen in spoedzitting zetelen op vordering van de bondsprocureur, tegen wiens beslissing tot het inzetten van een spoedprocedure geen verhaal of beroep mogelijk is. De bondsprocureur kan deze beslissing autonoom, op vraag van de betrokkene of op vraag van de Raad van Bestuur nemen.
De klacht dient dan binnen de kortst mogelijke termijn behandeld te worden.

Art. 58. Vooraleer een beslissing kan genomen worden, dienen de betrokkenen gehoord te worden. De oproepingstermijn wordt beperkt tot 24 uur. De oproepingen zijn aan geen enkele vormvereiste onderworpen en kunnen dus schriftelijk, telefonisch, telegrafisch, via elektronische post, mail of fax gebeuren.

Art. 59. De beslissing in spoedprocedure wordt aan de partijen ter zitting schriftelijk meegedeeld. Tegenover de partijen die niet aanwezig zijn of weigeren te ondertekenen voor kennisname, wordt de beslissing bij verstek genomen maar zonder de mogelijkheid om verzet aan te tekenen.

Art. 60. § 1. Beroep tegen een uitspraak van de tuchtcommissie is mogelijk binnen het uur na kennisgeving ervan en gebeurt schriftelijk ten opzichte van de voorzitter van de commissie. Binnen de 24 uur moet dit bevestigd worden met een gemotiveerd verzoekschrift gericht aan het secretariaat van de VSK . Bij verzuim van deze vormvereisten is het beroep onontvankelijk.

§ 2. Bij aanvang van de zitting van de beroepscommissie wordt onmiddellijk een behandelingsrecht van 250 euro betaald in handen van de voorzitter. Voor het overige zijn de oproepingstermijnen en procedures van de beroepscommissie in spoedprocedure dezelfde als voor de tuchtcommissie in spoedprocedure.

Art. 61. § 1. De beslissing van de tuchtcommissie in spoedprocedure is uitvoerbaar bij voorraad (onmiddellijk uitvoerbaar) ondanks hoger beroep of verzet.

§ 2. De beslissing van de beroepscommissie in spoedprocedure is eveneens
uitvoerbaar bij voorraad.

Titel IV - Tuchtsancties en kosten

Art. 62. Alle sancties die genomen worden door de tuchtcommissie of de
beroepscommissie, in gewone of spoedzitting, moeten gemotiveerd zijn.

63. § 1. Eén of meer van de volgende sancties kunnen opgelegd worden (eventueel in combinatie) :

1. officiële vermaning
2. blaam
3. administratieve geldboete
4. voorwaardelijk of effectief wedstrijdverbod voor een bepaalde of onbepaalde termijn
5. voorwaardelijke of effectieve schorsing van de VSK vergunning, voor een
bepaalde of onbepaalde termijn
6. voorwaardelijke of effectieve uitsluiting van een club binnen de VSK, voor
een bepaalde of onbepaalde termijn
7. verbod tot het bekleden van bepaalde functies voor een bepaalde of onbepaalde termijn
8. schrapping (levenslange schorsing als schutter binnen de VSK)

§ 2. Een effectieve schorsing van de VSK vergunning heeft tot gevolg dat de betrokken schutter niet meer mag deelnemen aan de activiteiten georganiseerd door de VSK of door de clubs aangesloten bij de VSK.

§ 3. Voor een overtreding van een reglementartikel waarvoor geen specifieke sanctie is voorzien, kan de bevoegde instantie alsnog een sanctie opleggen.

§ 4. Alle straffen worden van zodra ze zijn uitgesproken gepubliceerd in het officieel orgaan van de federatie of via een afzonderlijk rondschrijven aan de leden – clubs met vermelding van de feiten waarvoor de straf werd uitgesproken

Art. 64. § 1. De tuchtcommissie en de beroepscommissie beslissen over de kosten.

§ 2. Onder kosten wordt verstaan:

1° behandelingsrecht:

a) in eerste aanleg: 250 EUR
b) verzet: 500 EUR
c) hoger beroep: 500 EUR

2° administratieve kosten

a) forfait per zitting 150 EUR
b) verplaatsingskosten 0,40 EUR per kilometer

Titel V – Doping

Art. 65. Alle dopingpraktijken zijn verboden.
De VSK erkent de wettelijke reglementering terzake, meer bepaald het decreet van de Medisch Verantwoorde Sportbeoefening d.d. 13 juli 2007, dat door iedere lid dient te worden gerespecteerd.

Alle overtredingen op het decreet van de Medisch Verantwoorde Sportbeoefening d.d. 13 juli 2007,voor zover zij van toepassing zijn op elitesporters en hun begeleiders, worden automatisch doorverwezen naar het Vlaams Dopingtribunaal.

Indien een lid door de overheid erkende bevoegde instanties schuldig wordt bevonden aan doping en hem een effectieve of voorlopige schorsing wordt opgelegd, zal de Raad van Bestuur deze schorsing ambtshalve uitbreiden tot de VSK.
Los van eventuele sancties uitgesproken door de bevoegde instanties, kunnen door de tuchtorganen van de VSK bovendien ook nog tuchtsancties worden genomen.

Art. 66. Tuchtreglement inzake dopingpraktijken gepleegd door elitesporters of begeleiders.
De nummering ( artikelverwijzing ) van onderhavig artikel dient als een zelfstandige nummering te worden aanzien.

1. Dit reglement is van toepassing op elke sporter die onder de verantwoordelijkheid van deze sportvereniging valt en door de Vlaamse Gemeenschap op de hoogte werd gebracht van zijn kwalificatie als elitesporter en elke begeleider die onder de verantwoordelijkheid van deze sportvereniging valt.

2. De in artikel 1 vermelde sporter die de in artikel 1 vermelde kwalificatie als elitesporter betwist, kan overeenkomstig artikel 34 van het decreet van 13 juli 2007 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, binnen de veertien dagen volgend op de kennisgeving, beroep aantekenen bij de disciplinaire commissie van de Vlaamse Gemeenschap.

3. De disciplinaire vervolging en bestraffing van dopingpraktijken gepleegd door de in artikel 1 vermelde sporter, verloopt volgens het procedurereglement van het disciplinair orgaan van de vzw Vlaams Doping Tribunaal, die door deze sportvereniging belast werd met het organiseren van de disciplinaire procedure betreffende dopingpraktijken gepleegd door de in artikel 1 vermelde elitesporter.

De disciplinaire vervolging en bestraffing van dopingpraktijken gepleegd door de in artikel 1 vermelde begeleider, verloopt volgens het procedurereglement van het disciplinair orgaan van deze sportvereniging.

4. §1. Het in artikel 3 vermelde disciplinair orgaan zal de in overtreding bevonden sporter of begeleider veroordelen tot het terugbetalen van het geheel of een deel van de kosten van de dopingcontroles, aan degene die de kosten van deze controles heeft gedragen en de in overtreding bevonden sporter of begeleider daarenboven een straf opleggen overeenkomstig §2 tot en met §7 van dit artikel.

§2. Met uitzondering van de specifieke stoffen waarnaar verwezen wordt in paragraaf 3, en behoudens de toepassing van paragraaf 5 of 6 wordt twee jaar uitsluiting opgelegd voor een overtreding als vermeld in artikel 3, 1°, 2° en 6°, van het decreet.
§3. De verboden lijst kan specifieke stoffen vermelden die gemakkelijk kunnen leiden tot het onbedoeld overtreden van antidopingregels doordat ze veel worden gebruikt in medicijnen of waarvan het minder waarschijnlijk is dat ze met succes worden gebruikt als doping. Als een sporter of begeleider kan aantonen hoe een specifieke stof in zijn of haar lichaam is binnengekomen of in zijn of haar bezit is gekomen, en dat die specifieke stof niet bedoeld was om de sportprestaties van de sporter te verbeteren of het gebruik van een prestatieverbeterende stof te maskeren, wordt de uitsluitingsperiode vermeld in paragraaf 2 van dit artikel vervangen door minimaal een berisping en maximaal twee jaar uitsluiting voor een eerste overtreding.

Om een opheffing of een vermindering te rechtvaardigen, moet de sporter of begeleider zijn of haar verklaring staven met bewijsmateriaal waaruit tot volle tevredenheid van het disciplinair orgaan blijkt dat er geen sprake was van een intentie om de sportprestatie te verbeteren of het gebruik van een prestatieverbeterende stof te maskeren. De ernst van de fout van de sporter of begeleider geldt als criterium om te beslissen tot een eventuele vermindering van de uitsluitingsperiode.

§4. Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 3° en 5°, van het decreet, geldt, behoudens de toepassing van paragraaf 5 of 6, twee jaar uitsluiting.

Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 7° en 8°, van het decreet, wordt, behoudens de toepassing van paragraaf 5, een periode van uitsluiting opgelegd van minimaal vier jaar en maximaal levenslang. Een dopingpraktijk waarbij een minderjarige betrokken is, wordt als een bijzonder ernstige overtreding beschouwd en leidt, indien zij is gepleegd door een begeleider van de sporter en betrekking heeft op andere stoffen dan de op de verboden lijst vermelde specifieke stoffen, tot levenslange uitsluiting voor de begeleider.

Voor overtredingen als vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet, is de periode van uitsluiting minimaal één jaar en maximaal twee jaar, afhankelijk van de schuldgraad van de sporter.

§5. In de volgende gevallen wordt de periode van uitsluiting niet toegepast of verminderd op grond van uitzonderlijke omstandigheden:
1° als de sporter of begeleider in een individueel geval kan aantonen dat hem geen schuld treft of nalatigheid te verwijten is voor de overtreding, vervalt de periode van uitsluiting die normaal van toepassing was. In geval van een overtreding van een antidopingregel als vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet, moet de sporter aanvullend aantonen hoe de verboden stof in zijn lichaam is terechtgekomen opdat de periode van uitsluiting kan vervallen. Als de periode van uitsluiting vervalt, telt de overtreding van de antidopingregel niet mee voor het vaststellen van de periode van uitsluiting die geldt voor overtredingen als vermeld in paragraaf 7;
2° als de sporter of begeleider in een individueel geval voor een overtreding van een antidopingregel kan aantonen dat hem geen significante schuld treft of nalatigheid te verwijten is voor de overtreding, kan de periode van uitsluiting worden verminderd tot maximaal de helft. Als de periode van uitsluiting levenslang is, mag de verminderde periode niet korter zijn dan acht jaar. In geval van een overtreding van een antidopingregel als vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet, moet de sporter bijkomend aantonen hoe de verboden stof in zijn lichaam is terechtgekomen voordat de periode van uitsluiting kan worden verminderd;
3° als een sporter of begeleider vrijwillig een dopingpraktijk bekent voor hem een monsterneming wordt aangekondigd die een dopingpraktijk zou kunnen aantonen (of, als het een andere dopingpraktijk betreft dan die welke vermeld in artikel 3, 1° van het decreet, voor hij de eerste kennisgeving van de toegegeven overtreding ontvangt) en die bekentenis het enige betrouwbare bewijs is van de overtreding op het ogenblik van de bekentenis, kan de uitsluitingsperiode worden verminderd, maar de uitsluitingsperiode kan nooit minder lang zijn dan de helft van de uitsluitingsperiode die normaal van toepassing is;

4° voor een vermindering of schorsing op basis van paragraaf 5, 2° of 3° wordt toegepast, moet de normaal toepasselijke uitsluitingsperiode worden bepaald in overeenstemming met paragraaf 2, 3, 4 en 6. Als de sporter of begeleider aanspraak maakt op een vermindering of opschorting van de uitsluitingsperiode op basis van twee of meer van de criteria vermeld in 2° of 3° van paragraaf 5, kan de uitsluitingsperiode worden verminderd of opgeschort, maar de uitsluitingsperiode kan nooit minder lang zijn dan een vierde van de uitsluitingsperiode die normaal van toepassing is.

§6. Als in een individueel geval waar er sprake is van een andere dopingpraktijk dan de overtredingen, vermeld in artikel 3, 7°, en artikel 3, 8°, van het decreet, wordt vastgesteld dat er verzwarende omstandigheden zijn die de oplegging van een langere uitsluitingsperiode dan de standaardsanctie rechtvaardigen, moet de normaal toepasselijke uitsluitingsperiode worden verlengd tot maximaal vier jaar tenzij de sporter of begeleider tot volle tevredenheid van het disciplinaire orgaan kan bewijzen dat hij de dopingpraktijk niet opzettelijk heeft begaan.
Een sporter of begeleider kan de toepassing van deze paragraaf voorkomen, als hij de beweerde dopingpraktijk onmiddellijk bekent na door de opdrachtgever met de overtreding te zijn geconfronteerd.

§7. In geval van meervoudige overtredingen worden de volgende regels in acht genomen:

1° voor de eerste dopingpraktijk van een sporter of begeleider wordt de uitsluitingsperiode, vastgelegd in paragraaf 2 en 4 (vatbaar voor opheffing, vermindering of opschorting volgens paragraaf 3 en 5, of voor verlenging volgens paragraaf 6). Voor een tweede dopingpraktijk geldt een uitsluitingsperiode die in overeenstemming is met de onderstaande tabel:

tweede overtreding

eerste overtreding VSS AGC GSS St VS HT
VSS 1-4 2-4 2-4 4-6 8-10 10- lev
AGC 1-4 4-8 4-8 6-8 10- lev lev
GSS 1-4 4-8 4-8 6-8 10- lev lev
St 2-4 6-8 6-8 8- lev lev lev
VS 4-5 10- lev 10- lev lev lev lev
HT 8- lev lev lev lev lev lev
In de tabel voor de tweede dopingpraktijk wordt verstaan onder:

a) cijfers / “lev”: aantal jaren uitsluiting;

b) -: tot;

c) lev: levenslange;

d) VSS (Verminderde sanctie voor een Specifieke Stof conform art. 70, §3): De dopingpraktijk wordt of zou moeten worden bestraft met een verminderde sanctie conform art. 70, §3, omdat er sprake is van een Specifieke Stof en de andere voorwaarden van art. 70, §3, zijn vervuld.

e) AGC (Aangifteverzuim en/of Gemiste Controles): De dopingpraktijk wordt of zou moeten worden bestraft conform art. 70, §4, derde lid .

f) GSS (verminderde sanctie in geval van Geen Significante Schuld of nalatigheid): De dopingpraktijk wordt of zou moeten worden bestraft met een verminderde sanctie conform art. 70, §5, 2° omdat de sporter aantoonde dat er sprake was van Geen Significante Schuld of Nalatigheid conform art. 70, §5, 2°.

g) St (Standaardsanctie conform art. 70, §2 of art. 70, §4, eerste lid): De overtreding van een antidopingregel wordt bestraft of zou moeten worden bestraft met een standaardsanctie van twee jaar conform art. 70, §2 of art. 70, §4, eerste lid.

h) VS (Verzwaarde Sanctie): De dopingpraktijk wordt of zou moeten worden bestraft met een verzwaarde sanctie conform art. 70, §6, omdat aan de voorwaarden van art. 70, §6, is voldaan.

i) HT (Handel of poging tot handel en Toediening of poging tot toediening): De dopingpraktijk wordt of zou moeten worden bestraft met een sanctie conform art. 70, §4, tweede lid.

2° als een sporter of begeleider die een tweede dopingpraktijk begaat, beweert aanspraak te maken op gedeeltelijke opschorting of verkorting van de uitsluitingsperiode conform paragraaf 5, 3° of 4°, dient het disciplinair orgaan eerst de normaal toepasselijke uitsluitingsperiode te bepalen binnen het bereik aangegeven door de tabel vermeld in paragraaf 7, 1°, en vervolgens de gepaste opschorting of verkorting van de uitsluitingsperiode toe te passen. De resterende uitsluitingsperiode, na de toepassing van eventuele opschorting of verkorting op basis van paragraaf 5, 3° of 4°, moet minstens een vierde van de normaal toepasselijke uitsluitingsperiode bedragen;

3° een derde dopingpraktijk heeft altijd levenslange uitsluiting tot gevolg, behalve als de derde dopingpraktijk de voorwaarden voor opheffing of vermindering van de uitsluitingsperiode conform paragraaf 4 vervult of als er sprake is van een overtreding van artikel 3, 4°, van het decreet. In die speciale gevallen bedraagt de uitsluitingsperiode acht jaar tot levenslang;

4° voor bepaalde potentieel meervoudige overtredingen gelden de volgende aanvullende regels:
a) om te worden bestraft op basis van paragraaf 7 van dit artikel, kan een dopingpraktijk alleen als een tweede overtreding worden beschouwd, als wordt aangetoond dat de sporter of begeleider de tweede dopingpraktijk heeft begaan nadat hij op de hoogte was gebracht conform artikel 57, of nadat de opdrachtgever redelijke inspanningen heeft geleverd om hem op de hoogte te brengen van de eerste dopingpraktijk. Als de opdrachtgever dat niet kan bewijzen, worden de overtredingen samen als één enkele eerste overtreding beschouwd en zal de opgelegde sanctie gebaseerd zijn op de overtreding waarop de strengere sanctie staat. Het voorkomen van meervoudige overtredingen kan echter als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd;
b) als na de uitspraak in een eerste dopingpraktijk feiten worden ontdekt met betrekking tot een dopingpraktijk van de sporter of begeleider die zich hebben voorgedaan vóór de kennisgeving met betrekking tot de eerste overtreding, wordt een aanvullende sanctie opgelegd, op basis van de sanctie die had kunnen worden opgelegd als tegelijkertijd uitspraak was gedaan over beide overtredingen. Om te vermijden dat er verzwarende omstandigheden worden gevonden op grond van de vroeger gepleegde maar later ontdekte overtreding, moet de sporter of begeleider vrijwillig en tijdig de eerdere dopingpraktijk bekennen na de kennisgeving van de overtreding waarvan hij eerst wordt beschuldigd. Dezelfde regel geldt ook als feiten worden ontdekt met betrekking tot nog een vroegere overtreding na de uitspraak in een tweede dopingpraktijk.

5° Voor de toepassing van paragraaf 7 moeten alle dopingpraktijken plaatsvinden binnen dezelfde periode van acht jaar om als meervoudige overtredingen beschouwd te worden.

§8. De uitsluitingsperiode gaat in op de dag waarop tijdens een hoorzitting een uitsluiting wordt opgelegd of, als afstand werd gedaan van een hoorzitting, op de datum waarop de uitsluiting werd aanvaard of gewijzigd. Elke periode van voorlopige schorsing moet worden afgetrokken van de totale periode van uitsluiting die wordt opgelegd.
Deze regeling geldt niet in de volgende gevallen:

1° als de tuchtprocedure of andere aspecten van de dopingcontrole aanzienlijke vertraging oplopen die niet aan de sporter of begeleider te wijten is, kan het disciplinair orgaan de uitsluitingsperiode op een vroegere datum laten ingaan, op zijn vroegst op de datum van de monsterneming, of op de laatste datum waarop een andere dopingpraktijk heeft plaatsgevonden;
2° als de sporter of begeleider onmiddellijk (d.w.z. wat de sporter betreft, in ieder geval voor de sporter opnieuw aan een wedstrijd deelneemt) de dopingpraktijk bekent nadat de opdrachtgever hem met de dopingpraktijk heeft geconfronteerd, kan de uitsluitingsperiode op zijn vroegst aanvangen op de datum van de monsterneming of op de laatste datum waarop een andere dopingpraktijk plaatsvond. In elk geval moet de sporter of begeleider, als deze bepaling wordt toegepast, minstens de helft van de uitsluitingsperiode uitzitten, beginnend vanaf de datum waarop de sporter of begeleider de opgelegde sanctie heeft aanvaard, de datum van de tuchtrechtelijke uitspraak van die sanctie of de datum waarop de sanctie wordt gewijzigd;
3° als een voorlopige schorsing wordt opgelegd en door de sporter wordt gevolgd, wordt de periode van voorlopige schorsing afgetrokken van een eventuele uitsluitingsperiode die uiteindelijk aan de sporter wordt opgelegd;
4° als een sporter vrijwillig en schriftelijk een voorlopige schorsing aanvaardt van de opdrachtgever, en vervolgens afziet van wedstrijddeelname, wordt die periode van vrijwillige voorlopige schorsing afgetrokken van een eventuele uitsluitingsperiode die uiteindelijk aan de sporter wordt opgelegd. Een kopie van de vrijwillige aanvaarding van een voorlopige schorsing door de sporter moet onmiddellijk worden bezorgd aan alle partijen die recht hebben op kennisgeving van een vermoedelijke dopingpraktijk;
5° de periode voor de datum van inwerkingtreding van een voorlopige schorsing wordt nooit in mindering gebracht van een uitsluitingsperiode, ongeacht of de sporter ervoor heeft geopteerd om niet deel te nemen aan wedstrijden of door zijn team werd geschorst.

§9. Wanneer een sporter of begeleider die uitgesloten is verklaard, het verbod op deelname tijdens de uitsluiting, zoals voorzien in paragraaf 10, overtreedt, worden de resultaten van die deelname gediskwalificeerd en begint de oorspronkelijk opgelegde uitsluitingsperiode opnieuw te lopen vanaf de datum van de overtreding. De nieuwe uitsluitingsperiode kan verkort worden conform paragraaf 5, 2°indien de sporter of begeleider aantoont dat hem of haar geen significante schuld of nalatigheid treft voor de overtreding van het verbod op deelname. De opdrachtgever van de dopingcontrole die tot de oplegging van de oorspronkelijke uitsluitingsperiode heeft geleid, dient te bepalen of de sporter of begeleider het verbod op deelname heeft overtreden, en of een vermindering conform paragraaf 5, 2° aangewezen is.

Bij elke dopingpraktijk waarvoor geen verkorte sanctie wegens specifieke stoffen geldt zoals vermeld in paragraaf 4, wordt bovendien de sportgerelateerde financiële steun of andere sportgerelateerde voordelen die een dergelijke sporter of begeleider zou ontvangen, geheel of gedeeltelijk ingehouden door de sportvereniging.

§10. De uitsluiting houdt in dat de betrokkene tijdens de periode van uitsluiting in geen enkele hoedanigheid mag deelnemen aan een sportmanifestatie (uitgezonderd geautoriseerde antidopingcursussen of rehabilitatieprogramma’s). Een persoon aan wie een periode van uitsluiting is opgelegd van langer dan vier jaar kan, als er vier jaren van de periode van uitsluiting zijn verstreken, deelnemen aan lokale sportmanifestaties in een andere sport dan de sport waarbij de betrokkene de overtreding van een antidopingregel heeft gepleegd, maar alleen als de lokale sportmanifestatie niet op een dusdanig niveau is dat het de betrokkene anders direct of indirect zou kunnen kwalificeren voor deelname aan (of punten zou kunnen opleveren die nodig zijn voor) een nationaal kampioenschap of internationale wedstrijd.

§11. Als voorwaarde voor het terugkrijgen van het recht op deelname aan wedstrijden na een bepaalde periode van uitsluiting moet een sporter tijdens de periode van uitsluiting beschikbaar blijven voor dopingcontroles buiten wedstrijdverband en moet hij of zij, als daarnaar gevraagd wordt, actuele en nauwkeurige verblijfsgegevens verstrekken. Als een sporter aan wie een periode van uitsluiting is opgelegd zich terugtrekt uit de sport maar later toch weer aan de sport wil deelnemen, kan de sporter pas weer deelnamegerechtigd worden verklaard als de sporter de administratie daarvan op de hoogte heeft gebracht en zich beschikbaar heeft gesteld voor dopingcontroles buiten wedstrijdverband gedurende een periode die gelijk is aan de periode van uitsluiting die nog over was op het moment dat de sporter zich terugtrok..

5. Een overtreding van een antidopingregel in verband met een dopingcontrole binnen wedstrijdverband leidt automatisch tot diskwalificatie van het individuele resultaat dat is behaald in die wedstrijd met alle daaruit voortvloeiende consequenties, zoals het verlies van eventuele medailles, punten en prijzen.
Naast de automatische diskwalificatie van de resultaten in de wedstrijd waarin het posititeve monster is aangetroffen, zullen alle andere wedstrijdresultaten die zijn behaald nadat er een positief monster is afgenomen (of dat nu binnen of buiten wedstrijdverband is) of er een andere overtreding van antidopingregels heeft plaatsgevonden, door het begin van een periode van voorlopige schorsing of uitsluiting worden gediskwalificeerd, tenzij de rechtvaardigheid anders vereist, met alle consequenties vandien, zoals het verlies van eventuele medailles, punten en prijzen.
Als voorwaarde voor het terugkrijgen van het recht op wedstrijddeelname na een vastgestelde dopingovertreding, moet de sporter eerst al het conform dit artikel verbeurde prijzengeld terugbetalen.
Tenzij de regels van de internationale federatie bepalen dat verbeurd prijzengeld aan andere sporters moet worden toegekend, moet het in de eerste plaats dienen om de invorderingskosten te vergoeden van de sportvereniging die de nodige stappen ondernam om het prijzengeld terug te vorderen, en vervolgens om de kosten te vergoeden van de antidopingorganisatie die in dat geval instond voor het resultatenbeheer, waarna het eventuele restant wordt toegekend conform de regels van de internationale federatie.

6. De volgende personen of instanties hebben het recht, tegen elke disciplinaire maatregel van het in artikel 3 vermelde disciplinair orgaan, beroep aan te tekenen bij het Internationaal Sporttribunaal, volgens de voorwaarden die van toepassing zijn op het Internationaal Sporttribunaal:
a. De betrokken sporter of begeleider
b. De andere partij in de zaak waarin de uitspraak is gedaan
c. De Vlaamse regering
d. De bevoegde nationale of internationale sportfederatie
e. Het Wereldantidopingagentschap (WADA)
f. Het Internationaal Olympisch Comité
g. Het Internationaal Paralympisch Comité

7. Het beroep schort de tenuitvoerlegging van de in artikel 6 vermelde maatregel niet op.
Om ontvankelijk te zijn moet het beroep bij aangetekende brief ter post zijn afgegeven binnen een termijn van veertien kalenderdagen die een aanvang neemt de dag na de uitspraak van de maatregel of, als de maatregel bij verstek is genomen, binnen veertien dagen na de dag van de verzending van de maatregel bij aangetekende brief door het in artikel 3 vermelde disciplinair orgaan.
De uiterste datum waarbinnen het WADA echter beroep kan aantekenen of kan tussenbeide komen is gelijk aan de laatste van de volgende twee data:
a) eenentwintig dagen na de laatste dag waarop eender welke partij beroep kon hebben aangetekend, of
b) eenentwintig dagen na ontvangst door het WADA van het volledige dossier met betrekking tot de uitspraak.
Wanneer het in artikel 3 vermelde disciplinair orgaan niet binnen een redelijke termijn die door het WADA wordt bepaald, beslist of er een dopingovertreding heeft plaatsgevonden, kan het WADA ervoor opteren om rechtstreeks beroep aan te tekenen bij het Internationationaal Sporttribunaal, alsof het disciplinair orgaan had beslist dat er geen dopingovertreding was begaan.

8. De bevoegde administratie van de Vlaamse Gemeenschap heeft het recht controle uit te oefenen op de naleving van dit intern tuchtreglement.

Titel VI – Sportschutterslicentie

Art. 67. De VSK erkent de wettelijke reglementering terzake, meer bepaald het decreet houdende het statuut van de sportschutter dd 11 mei 2007, dat door iedere lid dient te worden gerespecteerd.
Indien een lid door de overheid erkende bevoegde instanties schuldig wordt bevonden aan een overtreding op dit decreet en hem een effectieve of voorlopige schorsing wordt opgelegd, zal de Raad van Bestuur deze schorsing ambtshalve uitbreiden tot de VSK.
Los van eventuele sancties uitgesproken door de bevoegde instanties, kunnen door de tuchtorganen van de VSK bovendien ook nog tuchtsancties worden genomen.